Herinneringenmuseum

Een duik in het verleden

Voorwerpen roepen herinneringen op. Herinneringen die vervlochten zijn met een belangrijke periode uit het leven. Bijvoorbeeld een oude radio, een stuk gereedschap of een medaille. Of een foto, een schilderij, een tekening of krantenartikel dat over deze bijzondere herinnering gaat.

De rubriek ‘Het Herinneringenmuseum’ legt op de website van Westerholm een collectie aan van persoonlijke verhalen in woord en beeld. De expositie toont inmiddels al een groot aantal ‘museumstukken’. Maar er is ruimte voor meer herinneringen van bewoners en cliënten van Westerholm. Bewaart u aan iets of iemand een bijzondere herinnering en verdient uw aandenken een plek in dit museum? Laat het weten aan één van de medewerkers van Rikkers-Lubbers of stuur ons een bericht.

Reizen in de literatuur

Met zijn tweeënnegentig jaar ziet Jacques George Dölle er nog opvallend kwiek uit. Vanachter een goudkleurig brilmontuur kijken twinkelende ogen je opgewekt aan. Een fleurige broek en dito stijlvolle trui worden afgekleed met felgekleurde sneakers. Vanuit de stoel achter zijn bureau bladert hij rustig door de pagina’s van een fotoalbum. Op een van de foto’s zijn drie kameraden te onderscheiden. Gebroederlijk rennen ze naast elkaar: een jonge meneer Dölle en twee vrienden met wie hij nog regelmatig contact heeft. “Samen hebben we veel marathons gelopen en daarmee ook veel van de wereld gezien.”

Sporten en reizen
In zijn jongere jaren trok meneer Dölle er in Europa graag met de camper op uit. Maar ook exotischere bestemmingen werden frequent aangedaan, zoals Noord- en Zuid-Amerika, Mexico, Marokko en Egypte. Daarnaast was hij een fervent hardloper en ook op de racefiets was hij regelmatig te vinden. Dat wedstrijden weleens in het buitenland plaatsvonden, was met zoveel reislust een prettige bijkomstigheid. Dat de grenzen bij het sporten ook weleens letterlijk werden opgezocht, zorgde ervoor dat hij over een ijzersterke conditie beschikte. Maar hoewel hij tot op hogere leeftijd nog altijd in het zadel zat, kwam er een moment dat hij niet langer meer het uiterste van zichzelf kon vergen.

“Ik fietste voor mijn plezier, en ging dan ook weleens ‘met plezier’ onderuit. Als je het goed doet, dan kom je ook weleens ten val. We fietsten vaak in de bergen en daar heb ik bij valpartijen wel zo’n beetje alles gebroken wat er te breken valt. Ik heb nog tot mijn vijfentachtigste gefietst, maar op een gegeven moment zei mijn therapeut: ‘En nu sleur ik je van de fiets af’. Het werd toen wel duidelijk dat zo intensief sporten er voor mij niet meer inzat.”

Wanneer meneer Dölle zo’n twee jaar geleden op een wat ongelukkig manier op straat valt, moet hij opnieuw ervaren hoe het is om niet meer over die grenzeloze veerkracht van weleer te beschikken. Een ziekenhuisopname volgt en omdat tijdens de aansluitende periode verzorging nodig is, verhuist hij naar Westerholm. Inmiddels is meneer Dölle weer flink hersteld, maar sporten en verre reizen zijn vandaag de dag geen vanzelfsprekendheid meer.

Literatuurreizen
Niet meer kunnen sporten en reizen voelt enerzijds als een beperking, vooral omdat deze twee passies destijds zo goed hand in hand gingen. Maar terugblikkend op een welbesteed leven lijkt meneer Dölle zich hiermee te hebben verzoend, temeer daar hij in al z’n optimisme nu een alternatieve manier van reizen heeft ontdekt. Sinds enige tijd doet hij graag nog weleens een uitstapje, maar hiervoor hoeft hij de deur feitelijk niet meer uit. Zoals hij vroeger met plezier in het buitenland mocht verblijven, tegenwoordig gaat hij graag ‘op reis in de literatuur’. “Ik lees graag over de streken waar ik vroeger naartoe reisde. Dan wil ik bijvoorbeeld weleens weten hoe het conflict in het Midden-Oosten is ontstaan. Zoiets zoek ik dan op in boeken. Ik kom dan van alles te weten over die gebieden. En dan blijkt er zoveel meer te zijn dan je toen hebt beleefd.“

“Ik ben op het moment vooral geïnteresseerd in de geschiedenis van Spanje. Ik liep daar als zorgeloze dertiger over het strand, zonder al te veel oog te hebben voor de historie van zo´n land. Als ik daar nu over lees, dan gaat er een wereld voor me open. Welke rol hebben Romeinen, Feniciërs en Moren daar gespeeld? Hoe zijn zij overgestoken, over land of over zee? Wie waren die mensen toen en welke hoogstaande cultuur namen ze mee? Wat waren de grootste steden destijds en hoe was het om daarin te leven? Veel weetjes van vroegere volkeren, vooral de Romeinen, hebben mijn brede belangstelling. Ik vind het interessant om dat nu allemaal uit te zoeken en me in te leven in hoe het toen was. Zo kan ik elke dag opnieuw reizen, maar dan in de literatuur.“

Onderwijzen
Alle kennis die meneer Dölle opdoet op zijn hedendaagse ‘reizen’ deelt hij graag met anderen. “Ik vind het leuk om anderen daar over te vertellen. Ze weten dat ik zo’n napluizer ben. Het overdragen van kennis is mij ook niet vreemd. Mijn vader was hoofd van de school. Aan de eettafel begon het leren al van kinds af aan. Hij was daarnaast in het bijzonder geïnteresseerd in biologie en alles op het gebied van planten en dieren. We wandelden veel en dan werd daarbij altijd onderwezen. Onderwijzen doe je niet voor jezelf, dat doe je om iets door te kunnen geven. Ik heb in die zin het vak van mijn vader altijd van grote waarde gevonden.”

“Mijn medebewoners hier zeggen dan ook weleens plagend: ‘Daar hebben we onze onderwijzer weer.’ Maar ik kan het niet laten om ook mijn kennis door te geven. Ik ontmoet ook regelmatig mensen die nu ook niet meer op reis kunnen, maar dat vroeger wel graag deden. Ik moedig hen aan ook op die andere manier te gaan reizen. Vraag jezelf eens af: Waar ben ik allemaal geweest? Wat weet ik eigenlijk over die gebieden en wat is daar allemaal nog over te leren? Ook al kun je daar misschien zelf niet meer naartoe gaan, er is veel meer over die landen te vertellen dan wat je destijds hebt gezien. Dat kun je dan allemaal nog eens op een heel andere manier beleven. Wie geïnteresseerd is, kan in de literatuur een schat aan kennis vinden.

Nieuwe reisbestemmingen
Aangezien het met de reislust nog lang niet is gedaan, staan er voor meneer Dölle nog wel een aantal ‘reisbestemmingen’ op stapel. Na Spanje zal namelijk ook het Midden-Oosten nog aan een nader onderzoek worden onderworpen. En daarna? “Daarna ga ik me op Amerika storten.”

“Sporten was een grote liefhebberij, maar uiteindelijk ook mijn ondergang”

“Er is veel meer over die landen te vertellen dan wat ik destijds heb gezien”

“Als je niet meer op reis kunt, ga dan op een andere manier op reis”

Een eigen manier van lesgeven

In het door hem zelf samengestelde boekwerk met memoires, staat een zwart-witfoto. Een tiental jonge mannen in sportkleding staat met een speer in de hand, klaar om deze naar een denkbeeldig punt in de verte te werpen. Meneer Hamelink wijst naar de foto. “Die meest rechter jongeman daar, dat ben ik.”

Geboren op een boerderij in Zeeuws-Vlaanderen, groeit de jonge Jan Hamelink op in zijn geboorteplaats Stoppeldijk. De middelbare school brengt hij door in het nabijgelegen Hulst, volgens zijn zeggen één van de mooist bewaarde steden van Nederland. Al vroeg in zijn jeugd komt hij in aanraking met zijn grote liefhebberij. ”In mijn jeugd speelde ik bij de plaatselijke voetbalvereniging. Tussen de competities door werd er weinig gevoetbald, maar des te meer aan atletiek gedaan om zo de conditie op peil te houden. Dat bleek mij zo goed te liggen, dat atletiek al snel uitgroeide tot mijn hobby.”

Dat atletiek ook een grote rol zou spelen in zijn werkzame leven, kon hij op dat moment nog niet weten. Wanneer de jonge Jan Hamelink na zijn schooltijd als sergeant in militaire dienst gaat, heeft hij op dat moment namelijk nog geen vastomlijnde plannen voor de toekomst. Maar het is in het leger waar hij zijn roeping vindt. Wanneer hij merkt te beschikken over een natuurlijk overwicht en een handig vermogen instructies en uitleg te geven aan zijn peloton, weet hij dat hij zijn roeping heeft gevonden. “Als ik bijvoorbeeld moest uitleggen hoe een geweer in elkaar zit, merkte ik dat ze nog luisterden ook. Zo kwam ik er achter dat ik bedreven was in lesgeven.”

Met atletiek als hobby en lesgeven als talent, lag het voor de hand dat Jan na militaire dienst zijn bevoegdheid tot gymleraar ging halen. Als leraar in het bewegingsonderwijs en trainer bij diverse atletiekverenigingen kan hij zijn talent vervolgens ruimschoots inzetten. Na enkele jaren les te hebben gegeven aan diverse scholen, is het zelfs tijd om sport en lesgeven verder te combineren aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO) in Groningen, waar hij de kans krijgt om toekomstige gymleraren en- leraressen op te leiden.

“Op de scholen en atletiekvereniging waar ik les en training gaf, deed ik veel praktijkervaring op. Ik leerde leerlingen praktische vaardigheden. Maar het was ook een prachtige gelegenheid om zo mijn eigen methode van lesgeven te ontwikkelen. Wanneer ik uitleg gaf over een bepaald onderdeel, dan deed ik de bewegingen voor in de lucht zonder daadwerkelijk een discus of speer vast te houden. En samen met de leerlingen keek ik dan ook hoe we dat beter konden doen. Gewoon door met vallen en opstaan iets te proberen en niet altijd uit te gaan van de vaste vorm die op dat moment in gebruik was. Dit intuïtief experimenteren en deze eigen manier van lesgeven, bracht ik vervolgens weer over op mijn leerlingen aan de ALO, zodat zij dat op hun beurt weer in hun onderwijspraktijk konden gebruiken.”

Uiteindelijk komt meneer Hamelink in Haren te werken aan het Sint Maartenscollege. Hier vindt hij nieuwe uitdagingen in het lesgeven, vooral omdat hij nu met een ander soort leerlingen te maken krijgt. Deze jongeren onderscheidden zich in gedrag duidelijk van de leerlingen die hij tot dan toe onder zijn hoede had. Zijn aangeboren natuurlijke overwicht komt hem hierbij goed van pas. Zijn wapen: een mix van gemeend en gespeelde strengheid. “Er waren leraren die eraan onderdoor gingen. Maar ik vond het wel leuk, die strijd. Het was vooral een kwestie van duidelijke normen stellen en daar vervolgens heel erg consequent in zijn. Als je A zegt, moet B volgen; wat je zegt moet gebeuren. Als ik de leerlingen dan bijvoorbeeld achter de lijn opstelde, liet ik ze zien wie de baas was en stapte ik op alle tenen die over die lijn heen staken. Dat was een grapje, maar toch. Sport en lesgeven gaat ook over uitdagen, prikkelen en er een grap van maken. Met humor kon je zoveel oplossen. Er was eens een leerling op de ALO die bij wijze van protest met een paraplu op de atletiekbaan verscheen toen ik op een regenachtige dag buiten lesgaf. Ze hadden die avond een klassenfeest en hij wilde zijn haar in model houden. Die paraplu heb ik de hele les zelf gebruikt om onder te schuilen, terwijl de rest in de regen aan het sporten was. En zo heb ik ook eens een keertje ’s nachts lesgegeven omdat niemand overdag een lesuur wilde inhalen. Zoiets hadden ze nog niet eerder meegemaakt. Het was dan ook één van de drukst bezochte lessen ooit.”

Met het winnen van diverse hardloopwedstrijden behaalde Jan Hamelink de nodige sportieve overwinningen en had hij daarnaast twee kampioenschappen op zijn naam staan op de onderdelen verspringen en 400 meter hardlopen. Maar hoezeer hij ook in zijn eigen sportprestaties kon opgaan, anderen naar de top van hun kunnen brengen, vond hij zo mogelijk nog belangrijker. De leraar in hem kon er des te meer van genieten wanneer zijn leerlingen sportieve successen in de atletiek behaalden. “Ik vond het mooi jonge mensen te helpen de beste te worden door ze te inspireren en te activeren. Als je hobby dan ook nog je beroep wordt, dan is dat ideaal.”

Een van zijn leerlingen bracht het in 1960 tot deelname aan de Olympische Spelen in Rome. Het is één van de wapenfeiten die terloops en bescheiden worden genoemd, maar niettemin met gepaste trots fijne herinneringen oproepen. Het is in die jaren dat hij, met een aantal jonge gymnasium leerlingen in opleiding, drie keer op rij de midvastenloop in Hengelo wint. Het levert hen een beker op. Klein van stuk, maar des te meer een tastbaar bewijs voor de vruchten van zijn werk. Die beker heeft meneer Hamelink al die jaren dan ook nog bewaard. “Mijn hele leven was doorspekt met atletiek. Die beker staat daar symbool voor en vormt er tegelijk een mooie herinnering aan.”

“Als je hobby dan ook nog je beroep wordt, dan is dat ideaal"

“Met humor kun je zoveel oplossen"

Een mysterieus beeldje 

Een klein bronzen beeldje, vermoedelijk van exotische origine, balanceert op haar handpalm. Als kind speelde ze er graag mee. Maar ook in de jaren die volgen, vormen zij en dit mysterieuze sculptuurtje een onafscheidelijke eenheid. In haar woonkamer bij Westerholm heeft het een prominente plek in de boekenkast. “Het hoort gewoon bij me, als een herinnering aan een gelukkige jeugd. Ik zet het altijd zo neer, dat ik er goed naar kan kijken.”

Als kind was Jos Waltman erg aan haar vader gehecht. Met een grote antiekzaak in Eindhoven was hij een kenner op het gebied van oude en moderne kunst en vormde hij in veel opzichten een groot voorbeeld voor haar. “Ik was een echt vaderskind. Hij heeft mij in mijn jonge jaren wegwijs gemaakt in de wereld van kunst en antiek en nam me vaak mee naar exposities. Meerdere keren nam hij me ook mee naar musea in het buitenland. Ik kon altijd zo van kunst genieten en er is altijd zoveel prachtigs te bewonderen!”

In de zaak van haar vader speelde de kleine Jos graag ‘winkeltje’ met vriendinnetjes. Als ze hier hun ‘koopwaar’ uitstalden, mochten ze van alles uit de antiekzaak gebruiken zo lang het maar niet breekbaar was. “Dit beeldje stond altijd zo’n beetje tussen de andere spullen in. Als vanzelfsprekend beschouwde ik het altijd een beetje als van mezelf. Ik was er als klein meisje zo aan gehecht geraakt, dat ik het ‘mijn zusje’ noemde en er zelfs een naam aan had gegeven: ‘Tinuske’. Ik denk dat mijn vader het daarom ook niet te koop aanbood, zodat het altijd dicht bij me in de buurt heeft kunnen blijven.”

Reislustige jongedame
In het naoorlogse Nederland, dat nog aan de wederopbouw moet beginnen, is er voor de ondernemende Jos weinig te beleven. De schooltijd zit erop en reislustig als ze is, wil ze niets liever dan boven de horizon uitvliegen om een bredere kijk op de wereld te ontwikkelen. “Mijn vader had diverse internationale connecties en zo kwam het dat ik rond mijn achttiende verjaardag naar het buitenland vertrok. Eerst om in Brussel als kindermeisje te werken en de Fransee taal te leren spreken, later in Zwitserland om mijn Duits te verbeteren.”

Een bijzonder cadeau
In de tijd dat Jos als jongedame in het buitenland verbleef, mocht ze het bronzen beeldje ‘in bruikleen’ meenemen. Zo was er ver van huis toch altijd een vertrouwd stukje ‘thuis’ in haar nabijheid. Maar ook al beschouwde ze het beeldje al van kinds af aan als haar persoonlijke eigendom, het maakte toch nog altijd deel uit van haar vaders collectie. De avond dat hier verandering in komt, is voor haar dan ook een bijzonder moment. “Zonder een cadeaupapiertje of strik er omheen, maar met een prachtige toespraak heb ik Tinuske op mijn trouwdag officieel van mijn vader in ontvangst mogen nemen. Ik heb die avond meerdere cadeaus gekregen, maar deze was mij het dierbaarst.”

‘Hij wist hoe gek ik er mee was’

Voor altijd een mysterie
Waar het kleine bronzen beeldje vandaan komt en hoe het ooit in de zaak van haar vader terecht is gekomen, is al die tijd een goed bewaard geheim gebleven. “Jaren geleden bood mijn broer aan om de herkomst en achtergrond van het beeldje te onderzoeken. Hij had zich laten ontvallen dat het mogelijk uit Ivoorkust afkomstig is. Maar ik wilde dat liever niet weten. Ik ben er door de jaren heen namelijk zo aan verknocht geraakt, dat ik daar zo mijn eigen beleving bij heb ontwikkeld en er hoge verwachtingen van heb gekregen. Ik zie er bijvoorbeeld iemand in die de leiding heeft; een heerser met een scepter of een rol papier in haar hand. Maar of dat nou echt zo is? Als ik de werkelijke achtergrond van dit beeldje zou leren kennen, dan zou het me misschien alleen maar tegenvallen”.

Hoewel het verleden van dit mysterieuze beeldje nog altijd onbekend is, bestaat er over haar toekomst meer duidelijkheid. “Op een dag zal ik Tinuske ook doorgeven aan mijn eigen kinderen, bij wie dit beeldje ook enorm populair is”, vertrouwt mevrouw Waltman met een glimlach toe. Wat de toekomst voor Tinuske ook in petto heeft, in de Westerholmse collectie heeft dit ‘museumstuk’ in elk geval ook alvast een uniek plekje gekregen.

"We waren toen onafscheidelijk en dat is nu nog steeds zo."

Goed bewaarde tijdsdocumenten

Hoewel haar visuele vermogen in de jaren achteruit is gegaan, is er waarschijnlijk weinig dat mevrouw Prins ontgaat. Al direct bij binnenkomst in haar appartement is duidelijk dat zij over een scherp waarnemingsvermogen beschikt. We nemen plaats aan haar bureau, waarop talloze mappen naast elkaar gerangschikt staan. Het blijkt een archief te zijn van krantenknipsels en zelfgeschreven dagboekaantekeningen.

Liefde voor het schrijven
Toen ze een jaar of twaalf was, zag ze een toekomst voor zich waarbij ze op reis zou gaan. Veel van de wereld zien, observeren en hier interessante artikelen over schrijven. Ze had zich dan ook voorgenomen later journaliste te zullen worden. In geen geval was ze van plan geweest te gaan trouwen en kinderen te krijgen. De jonge Ita Prins is er van overtuigd haar eigen boontjes te doppen en ‘nooit achter de mannen aan te zullen gaan’. Een vrijgevochten geest met een onafhankelijkheidsideaal. Tegen haar eerdere verwachtingen in, volgt er op volwassen leeftijd echter toch een huwelijk en de negen kinderen die daaruit voortkomen, maken het najagen van haar jeugdige voornemen er niet eenvoudiger op.

Een rijke verzameling
Toch is bij mevrouw Prins ook het spreekwoordelijke bloed gaan kruipen waar het niet helemaal gaan kon. De vuistdikke mappen, die op haar bureau in rijen staan opgesteld, laten zien dat zij door de jaren heen een indrukwekkende hoeveelheid gebeurtenissen heeft gedocumenteerd. In de mappen zijn krantenknipsels terug te vinden uit vervlogen perioden, die de lezer als in een soort tijdmachine meenemen door de voorbije decennia. Maar ook alledaagse, door mevrouw Prins beschreven, voorvallen zijn hierin terug te vinden. De reeks nauwkeurig gedocumenteerde gebeurtenissen geven op filosofische wijze een inkijkje in hoe het leven er toentertijd aan toeging. In de verslagleggingen, die stuk voor stuk meer doen denken aan een essay dan aan een dagboek, is een schat aan informatie terug te vinden. Ze zouden een documentatiecentrum niet misstaan; menig geschiedenisliefhebber zou zijn vingers erbij aflikken.

Verwondering
Hoewel de liefde voor het schrijven al op jonge leeftijd was ontdekt, zou het tot het uitbreken van de oorlog duren voordat het serieuzere vormen aanneemt. “De tijd maakte het er ook niet makkelijker op om journalist te worden. Maar ik was achttien toen de oorlog uitbrak en dat vormde voor mij de aanleiding om te beginnen met het noteren van mijn overdenkingen. Het is achteraf wel grappig dat iemand van die leeftijd heel nauwkeurig keek naar wat er allemaal om haar heen gebeurde, zich daar zo over verwonderde en dat vervolgens gedetailleerd opschreef.”

Zoals de oorlogsdagen werden beschreven door de ogen van een jongvolwassene, zo vindt het schrijfwerk in de jaren daarna navolging in het verslagleggen over de geboortes en het wel en wee van haar kinderen. “Ik schreef zoveel mogelijk op tot hun twaalfde jaar. Daarna konden ze het zelf wel herinneren. Maar tot die tijd heb ik heel wat van hun belevenissen vastgelegd.”

Uitlaatklep
Na op latere leeftijd door een beroerte te zijn getroffen, geeft mevrouw Prins het systematisch documenteren van gebeurtenissen verder gestalte door alle verslagen in digitale vorm vast te leggen op haar computer. “Ik heb al mijn dagboeken uitgetypt en geprint. Na zo’n beroerte word je wel wat minder en dan wil je iets vastleggen. Wat je niet opschrijft, kun je ook niet meer teruglezen. Je zou dan niet meer weten hoe het is gegaan.”

Haar teksten zelf teruglezen kan mevrouw Prins helaas al enige tijd niet meer zo goed. Maar wanneer we passages uit haar eigen werk voorlezen, komen de eens zo nauwkeurig beschreven herinneringen weer één voor één tot leven. In de voorgelezen teksten rollen de zinnen in een vloeiende cadans als deinende golven achter elkaar aan. Ze getuigen van een vlijmscherp vermogen om goed te observeren en heldere waarnemingen gedetailleerd aan het papier toe te vertrouwen.

“Ik heb veel gezien en gehoord. En even zo vaak heb ik mijn mond gehouden. Dat schrijven was voor mij een goed alternatief, een uitlaatklep voor alles wat ik hardop niet zei. In die teksten kon ik mijn eigen kijk op het leven verwerken. Het is leuk dat ik deze herinneringen op deze manier nog heb bewaard”.

“Je weet nooit wat je in de wieg krijgt. Ieder kind had zo zijn eigen karakter en daarmee zijn eigen verhaal".

“Ik kon kwijt wat ik niet hardop zei”.

Een kleurrijk gezelschap

Aan de muur van haar appartement bij Rikkers-Lubbers in Groningen hangt een lijst met enigszins verschoten foto’s. Wie er geen acht op slaat, zou ze met gemak over het hoofd zien. Maar wie de moeite neemt de prentjes eens nader te bestuderen, zou zich kunnen verwonderen over deze afbeeldingen. Een aantal dames op leeftijd is in actie tijdens een cabaretuitvoering. Op een foto is te zien hoe één van de dames de benen in de lucht zwaait alsof het een optreden betreft in de Moulin Rouge van begin vorige eeuw. Maar deze foto’s nemen ons slechts zo’n vijftien jaar mee terug in de tijd, naar een periode waar mevrouw Haitjema nog met veel plezier aan terug denkt.

Hoe het begon
Voor mevrouw Haitjema gaan de eerste herinneringen aan haar cabaretactiviteiten overigens wel wat verder terug: naar haar kindertijd in de oorlogsjaren. Want hoewel de Dedemvaartse avonden in deze periode weinig ruimte boden voor vertier, wist het gezin waarin Lamien Haitjema opgroeide, zich toch kostelijk te vermaken. Op menig avond werd in de verduisterde huiskamer met het meubilair geschoven om daarmee een decor te improviseren voor cabaretuitvoeringen van eigen makelij.

“In huis was in die tijd zoveel te beleven. We hadden Joodse onderduikers. En van ons gezin waren twee broers ondergedoken en nam mijn zus als koerier deel aan het verzet. Dan moest je uitkijken wat je wel en niet kon zeggen. Zo stond op een nacht een Duitse soldaat naast mijn bed. Hij duwde zijn geweer naast mijn hoofd in mijn kussen en stelde mij allerlei vragen over de activiteiten van mijn zusje. Maar ik wist wat ik moest zeggen om haar te beschermen. Het waren in die zin dus gevaarlijke tijden, dat wist ik als kind best. En tegelijk vond ik het toch allemaal ook maar wat spannend! Maar als kind had ik natuurlijk ook nog niet de verantwoordelijkheid van een volwassene. Ik zie nog zo voor me hoe mijn moeder over de zolder heen en weer liep en blij en opgelucht uitriep: ‘Oh kinderen, we hebben het allemaal overleefd!’ toen de oorlog eenmaal was afgelopen. Voor haar moet het natuurlijk allemaal anders zijn geweest”.

Rode draad
De voorstellingen in huiselijke kring boden in de oorlogsavonden een welkome afwisseling en zorgde voor de nodige ontspanning in deze roerige tijd. Wat de jonge Lamien op dat moment nog niet kon vermoeden, is dat hiermee een fundament wordt gelegd voor de latere cabaretvoorstellingen, die als rode draad door haar verdere leven zullen lopen. Het succes van de cabaretavonden werd door het gezin namelijk ook na de oorlog als een vaste traditie voortgezet. Op menig oudejaarsavond en bij speciale gelegenheden in de familie, vinden ze nog regelmatig in huiselijks sfeer plaats.

‘Ik ben met cabaret opgegroeid. Het zat in de familie’.

Als vijftienjarige scholiere formeert Lamien samen met andere leerlingen een cabaretgroepje waarmee zij op schoolavonden in het spotlicht staat. Hoewel het daarna een periode stil blijft, laait de ‘cabaretkoorts’ op latere leeftijd opnieuw op. Na een werkzaam leven in het onderwijs pakt mevrouw Haitjema op gepensioneerde leeftijd de draad weer op. Met een groep vrouwen betreedt zij wederom het podium met voorstellingen voor de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen. 

d’Olle Griezen
Omdat ze aan de cabaretvoorstellingen weer zoveel plezier beleeft, zet ze de optredens op zeventigjarige leeftijd voort met een vaste formatie die zich ‘d’Olle Griezen’ noemt. Met zowel een knipoog naar de oude Groningse Martinitoren als naar de respectabele leeftijd van de deelnemende dames, richt de cabaretgroep zich vooral op optredens voor vrouwelijke genootschappen en brengt daarbij op ludieke wijze een feministische boodschap. “We dreven mee op de zoveelste feministische golf. Gelijke rechten en beloning, evenredige vertegenwoordiging van vrouwen op alle niveaus. Dit soort thema’s vormden de ondertoon in de teksten en liedjes van onze scènes”.

Het leiden van het cabaret en het schrijven van teksten vormt zo op latere leeftijd opnieuw haar lust en haar leven. “Het was ook zo leuk om te doen en we hebben zoveel lol gehad. We maakten van die prachtige onderbroeken met kanten biesjes die onder de rokken vandaan kwamen. Onze kostuums bestonden uit een rood vest en een lange rok om ons daarmee in een ‘ouwe vrouwen outfit’ neer te zetten. Geen van allen konden we goed naaien, maar we wisten er altijd nog iets van te maken”.

Het is alweer enige jaren geleden dat mevrouw Haitjema met dit kleurrijke gezelschap op de planken heeft gestaan. “De laatste jaren heb ik niets meer gemaakt. Ik mis het wel”, besluit ze met enig heimwee. Na het bekijken van de verschoten foto’s is daar ook wel iets bij voor te stellen. Ze vormen enkele mooie herinneringen aan d’Olle Griezen en zijn een plek in het herinneringenmuseum dan ook zeker waardig.

‘Ik ben met cabaret opgegroeid. Het zat in de familie’.

'We dreven mee op de zoveelste feministische golf'.

Handgeschreven memoires vertellen levendige verhalen

In het holst van de nacht rijden ze voorzichtig door de verduisterde straten. In het laadgedeelte van de bakfiets houdt Jozephine zich goed vast. De laatste dagen is ze van het ene adres naar het andere getrokken om in kelders te schuilen, want thuis is het niet meer veilig. De afgelopen vier dagen is er hevig gevochten in de verlaten straten van de stad. Canadese soldaten winnen nu steeds meer terrein en de Duitsers trekken zich terug. Maar het is nog altijd niet gedaan met de strijd.

Elk moment kan ze nu bevallen van hun eerste kind. Haar man Johan zit achter haar aan het stuur en baant zich een weg door de brandende puinhopen van de gehavende straten van Groningen in oorlogstijd. Haar zus Toos loopt met een knijpkat in de hand voorop om de weg nog enigszins bij te lichten. Het ziekenhuis is door de Duitse bezetters in gebruik genomen; daar kunnen ze nu niet terecht. Ze zetten daarom koers richting de Jongensschool in de Butjesstraat dat nu door de nonnen als alternatief hospitaal wordt gebruikt. 

Eenmaal aangekomen kruipt Jozephine uit de bakfiets en beklimt met moeite de trappen van de jongensschool. De weeën worden heviger. Ze voelt dat het kind niet lang meer op zich laat wachten. Met haar vuisten bonkt ze op de gesloten deur, in de hoop dat er snel wordt opgedaan. In het duister verschijnt voorzichtig het hoofd van een non om de hoek van de deur. Zodra ze door heeft wat er aan de hand is, laat ze Jozephine snel binnen. 

Op de grens tussen oorlog en vrede bevalt Jozephine van een zoon. Frits Wortelboer is het eerste kind dat bij het aanbreken van het ochtendlicht in de stad Groningen in vrijheid wordt geboren. Vanaf het kraambed ziet de kersverse moeder dat de straten nu niet langer verlaten zijn. Mensen komen tevoorschijn om in een uitgelaten stemming de bevrijding te vieren door feestvierend, en met pannendeksels tegen elkaar aanslaand, door de straten te paraderen.

Het is één van de mooie herinneringen die ze heeft. Maar er zijn er meer. Stralend en aanvankelijk nog zonder bril, leest de inmiddels 96-jarige mevrouw Wortelboer enkele passages voor uit haar memoires die zij op latere leeftijd heeft opgeschreven. Van oorlogservaringen tot de belevenissen van haar kinderen op hun weg naar hun volwassenwording. Veel ervan is zorgvuldig vastgelegd. ‘Om de kinderen er blij mee te maken, zodat ze het nooit zullen vergeten. Het is leuk als je herinneringen opschrijft. Blije dingen uit het leven, die fijn zijn om te herinneren. En ook bij verdriet zou je dat eigenlijk ook altijd moeten doen’.

Fascinerend schrijfwerk dat met een zwierig handschrift nauwkeurig in boekjes is bijgehouden. Het is opvallend dat er geen woorden zijn doorgekrast alsof de geschreven verhalen in één keer goed uit de pen zijn gevloeid, zonder zich te hoeven bekommeren om woordopbouw of zinsconstructie. Uit het leven gegrepen teksten, die zo verbeeldend werken dat je de gebeurtenissen levendig voor je ziet. Je kunt dan ook weinig anders dan aan haar lippen hangen wanneer diverse voorgelezen fragmenten de revue passeren.

Meerdere boekjes en schriftjes liggen er voor haar uitgespreid op tafel. Eén daarvan is een grijs gemêleerd boekje dat zij van haar kleinkind Remco kreeg. Graag las hij bij zijn oma de vele losse briefjes en notities die zij voorheen in een doos bewaarde. Haar opgetekende overpeinzingen maakten veel indruk op hem en hij was dankbaar dat zij deze met hem wilde delen. Als om haar aan te moedigen daar toch vooral mee door te gaan, kocht hij een aantal jaar geleden het schrijfboekje voor haar in de Nepalese hoofdstad Kathmandu. Zo zet mevrouw Wortelboer het schrijven tot op de dag vandaag nog altijd voort, ook al gaat het nu wat moeilijker. ‘De laatste tijd ben ik niet zo vlijtig meer. Het gevoel in de vingers is wat minder geworden’, laat ze met enige spijt weten. ‘Maar zo nu en dan schrijf ik nog wel eens een overpeinzing in mijn boekje’.

‘Het is een blij verhaal in een moeilijke tijd. Verrukkelijk toch?’

'Het is leuk als je herinneringen opschrijft. Blije dingen uit het leven, die fijn zijn om te herinneren'.

Het kind dat niet stil kon zitten

“Daar heeft het altijd gestaan. Bovenop de boekenkast”. Vanaf de ronde tafel wijst mevrouw Poutsma naar de vaste plek van haar ‘museumstuk’. In deze kamer en suite valt overigens veel te bewonderen. De muren worden voor een groot deel ingenomen door schilderijen. Met kleurrijk werk van mevrouw Poutsma zelf, maar met hier en daar ook een wat meer gedateerd olieverfschilderij dat door haar moeder is gemaakt. Een laaghangende winterzon draagt bij aan een huiselijke ambiance.

“Mijn ouders hebben dit huis in de jaren dertig laten bouwen en zijn er altijd blijven wonen. Ik heb er mijn hele jeugd gewoond. Na het overlijden van mijn ouders in 1994 zijn mijn man en ik van Paterswolde weer naar Haren teruggekeerd. Toen we hier in mijn ouderlijk huis kwamen wonen, vermengden zich twee huisraden: die van onszelf en die van mijn ouders. Die boekenkast is dus nooit van zijn plek geweest.”

“Mijn vader hield van kunst en steunde vaak jonge kunstenaars door iets te bestellen en zo was ik drie jaar oud toen mijn vader een kunstenaar de opdracht gaf mij in klei uit te beelden. Daar is dit roodbruine borstbeeld uit voort gekomen en het heeft daarna mijn hele jeugd op die boekenkast gestaan. Daar trof ik het beeld ook weer aan toen wij opnieuw in dit huis kwamen wonen.  Pas toen vroeg ik me af: wie zou het beeld toch eigenlijk gemaakt hebben? Het was al die jaren niet in me opgekomen het aan mijn ouders te vragen.”

Wie het beeld zou hebben gemaakt, zou altijd een vraag zijn gebleven. Ware het niet dat door een toevallige samenloop van omstandigheden de vraag jaren later toch nog wordt beantwoord. In 2002 wordt mevrouw Poutsma lid van de plaatselijke Vereniging van Huisvrouwen en op een koffie ochtend komt ze in gesprek met mevrouw Rijkhold Meesters. “Gonnie en ik stelden ons aan elkaar voor. Zij had ergens mijn meisjesnaam: Smilde gelezen. ‘Smilde? Kent u dan toevallig ook ene Erna Smilde?’ vroeg Gonnie. Toen ik antwoordde dat ik dat was, begon zij enthousiast te vertellen dat zij was getrouwd met Mattheus Rijkhold Meesters. Als beeldhouwer had hij heel wat werken op zijn naam staan. Maar één specifiek beeld was hem blijkbaar sterk bijgebleven. Meerdere keren had hij Gonnie verteld over dat meisje, Erna Smilde, waar hij in de oorlog met veel plezier een beeld van had gemaakt. Het enige probleem was: dat kind had al die tijd maar niet stil kunnen zitten. En nu bleek dat Gonnie en haar man zich altijd hadden afgevraagd wat er toch van dat kind terecht was gekomen.”

“Dat meisje was ik dus. Thuisgekomen ben ik meteen begonnen met wat speurwerk naar de oorsprong van het beeld. Het was vermoedelijk gemaakt in het atelier van de bekende keramist Anno Smith. In elk geval is het daar in de oven gebakken. Ik kan me er vaag nog wel iets van herinneren. Als klein meisje zat ik bij mijn vader achter op de fiets om naar een atelier te gaan. Daar mocht ik met klei spelen. Dat zal wel voor wat afleiding hebben gezorgd, zodat ik in elk geval een beetje stil bleef zitten.

“Ik zal het die beeldhouwer dus niet al te gemakkelijk hebben gemaakt.”

Bij Gonnie heb ik ook nog wat nader onderzoek gedaan. Samen hebben we in de oude kasboeken van haar man gespeurd en daarin vonden we precies wat we zochten. Het beeld is tussen 24 juli en 10 september 1944 gemaakt en voor het bedrag van fl. 325,-. Nu vraag ik me af of het misschien was bestemd voor mijn Oma, die op 3 oktober jarig was.

Parallel aan het verhaal over dit beeld valt een aantal vermeldenswaardige toevalligheden op. Zo is er op het moment van dit interview in het Groninger museum een tentoonstelling over de keramist Anno Smith, wiens atelier is gebruikt bij het maken van het beeld. Een ander opmerkelijk feit is dat mevrouw Rijkhold Meesters later is verhuisd naar Westerholm en daar in 2008 met een aantal vrijwilligers een tentoonstelling heeft georganiseerd met werk van haar man. In deze collectie kon ‘het kind dat niet stil kon zitten’ natuurlijk niet ontbreken. En zo is het beeld enige tijd geëxposeerd geweest in één van de vitrines van Westerholm. Eveneens leuk te vermelden is dat het werk van Erna’s moeder ook ooit bij Westerholm is tentoongesteld, nadat zij op latere leeftijd een schilder- en tekenclub had opgericht in Haren, de Harense Joffers.

Bovenop de boekenkast staat het borstbeeld sinds de tentoonstelling bij Westerholm weer op zijn oude, vertrouwde plek. En als we het toch over toeval hebben: via het herinneringenmuseum vindt het beeld opnieuw zijn weg terug naar Westerholm.

 

Bekend werk van Mattheus Rijkhold Meesters: het monument in Oterdum, spelende kinderen (Groningen Zonnelaan), zonaanbidster (Groningen Noorderplantsoen), Aletta Jacobs (Sappemeer)

Bekend werk van Anno Smith: de kaasdragers (Groningen, op een gevel aan de Westerhaven) 

Tentoonstelling Anno Smith tot en met 5 juni 2016: http://www.groningermuseum.nl/Anno-Smith

“Het heeft mijn hele jeugd op die boekenkast gestaan.”

“Thuisgekomen ben ik meteen begonnen met wat speurwerk naar de oorsprong van het beeld."

Een bijzondere schuilplaats

“Met een Fordje ging hij de boer op.” Op het bureautje staat een oude zwart-witfoto uit 1935, waarop een trotse man voor zijn bolide poseert. “Mijn vader was bakker van beroep.” Jan-Willem groeit als jongen op in Kuinder. Het dorp, dat vandaag de dag onder de naam Kuinre schuil gaat, telde in die tijd niet meer dan duizend inwoners en grensde aan de voormalige Zuiderzee. Het had niet veel gescheeld of de tienjarige Jan-Willem was erin verdronken. Op het nippertje is hij boven water gehaald door de dominee.

Na een zorgeloze jeugd breekt de Tweede Wereldoorlog aan. Ondanks dat de oorlog het leven in Nederland ontregelt, ondervindt Jan-Willem daar aanvankelijk nog weinig gevolgen van. Als jongeman studeert hij aan de HBS en gaat het leven zo goed en zo kwaad als het gaat gewoon door. Maar in 1943 komt hier verandering in, wanneer hij vlak voor het examen aan de HBS door de Duitse Wehrmacht wordt opgeroepen om in Hannover in de oorlogsindustrie tewerk te worden gesteld.

“Mijn vader was erg anti-Duits en dat stak hij niet onder stoelen of banken. Het was een kwestie van tijd of de NSB kreeg daar dan ook lucht van. Uiteindelijk moest hij dan ook in 1944 onderduiken. Mijn broer, die net als mijn vader in het bakkersvak zat, was al eerder in Duitsland tewerkgesteld. Daar kreeg hij op drieëntwintigjarige leeftijd difterie en overleefde dat niet. Voor mij was het een uitgemaakte zaak: ik zou niet naar Duitsland vertrekken.”

Onderduiken

De meldingsdag is op een vrijdag. Om 9.00 uur wordt hij op het station van Heerenveen verwacht. Er zit voor de jonge Jan-Willem weinig anders op dan zo snel mogelijk ergens een onderduikadres te vinden. Op de gok vertrekt hij op de fiets richting Tjeukermeer in Friesland, waar hij menig vakantie op de boerderij van zijn oom heeft doorgebracht. Zijn oom vond in de buurt onderdak voor hem. En zo kwam de jonge Jan-Willem op een boerenbedrijf terecht in Delftstrahuizen. Een dorpje tussen de rivier De Tjonger en het Friese Tjeukermeer waar hij van het voorjaar van 1943 tot het voorjaar van 1945, het einde van de oorlog, zal blijven.

Schuilplaats in het hooi

Op de boerderij krijgt Jan-Willem een bijzondere schuilplaats toebedeeld. Het blijkt het ideale toevluchtsoord. De boer is een veehouder en als in de winter de koeien op stal worden gezet, wordt de hooitas goed gevuld. In het hooi is een schuilplaats gemaakt. Nu, op 93-jarige leeftijd, ziet meneer Van de Bosch nog levendig voor zich hoe zijn onderkomen er precies uit zag. Met potlood en pen tekent hij het voor:

“De koeien stonden met de kop naar de muur. Achter hen was de grup waar de koeienmest in terechtkwam. Daarachter lag binnenin de boerderij een heel grote hooiberg. Vanaf de zolder was er een gat in de hooiberg en als je daar doorheen kroop, dan kwam je in een schuilplaats in de hooiberg van twee meter diep en drie meter breed. Onderin deze schuilplaats was een bed gemaakt waar ik kon slapen. De opening bovenin werd afgedekt met een baal hooi dat je heen en weer kon schuiven. Zo kon de opening perfect worden afgesloten. Voor ventilatiedoeleinden was onder aan de muur een tweetal stenen verwijderd, waardoor een opening naar de stal ontstond. Om dit gat onzichtbaar te maken, was er een zitbank voor geplaatst.”

Vet en boter op het menu

“Als jongeman van rond de twintig, was het er naar omstandigheden goed vertoeven, vervolgt hij zijn verhaal. “De boerderij lag een behoorlijk eind van de weg af. Je kon er alleen maar komen met de fiets of met een paard en wagen. De oorlogsjaren trokken dan ook een beetje aan de boerderij voorbij. Afgezien van de politie, die regelmatig langskwam en daar weleens bleef eten, kwam er zelden iemand. In de zomer kon ik dan ook onbezorgd meewerken op het land.”

Hoewel het anderen minder goed afging en hij zichzelf gelukkig mocht prijzen met het onderkomen op de boerderij, heeft de heer Van den Bosch toch wat minder smakelijke herinneringen aan het menu van die tijd.

“Echt honger heb ik niet geleden. Er was altijd wel een varken dat in het geheim werd geslacht. Maar het was toch voornamelijk vet en gesmolten boter wat de pot schaftte. En daar werden dan wat zelf verbouwde aardappelen doorheen gedraaid. De eerste keer dat ik daar at, heb ik zo’n vreselijke buikpijn gekregen. Bruine bonen met spek en vet. Alle zaterdagen weer, totdat ik er wat meer aan was gewend. Meestal zat er een klein stukje vlees bij, maar verder: vet en boter. Soms zat er ook een beetje groente bij. In het voorjaar waren er wortels en dan aten we die alle dagen bij de aardappelen. Als de prinsessenboontjes klaar waren, dan aten we de hele zomer er een klein schepje boontjes bij. In de winter, van november tot februari kregen we wat koolrapen te eten. En in februari was de boel op. Dan was het vooral zure stip wat de pot schaftte: stijfsel van aardappelmeel waar een beetje azijn bij werd gedaan. En vet, altijd vet.”

Tijdens het vertellen van zijn verhaal houdt de heer Van den Bosch het menu van Westerholm even omhoog. “Nu kan ik iedere dag iets anders kiezen”, zegt hij met een glimlach.

"Voor mij was het een uitgemaakte zaak: ik zou niet naar Duitsland vertrekken."

"Nu kan ik iedere dag iets anders kiezen."

Een onverwacht verkregen aandenken

Zacht najaarslicht strijkt over de ruwe wand van een lichtbruin aardewerken kruikje. Het is niet veel groter dan circa vijftien centimeter. Ongeveer vijftig jaar geleden trof hij het aan in een zogenaamde stenenkist aan boord van een baggermolen. Trots laat hij ons zijn aanwinst zien. ‘Uit de rivierklei van de Beneden-Merwede bij Dordrecht’, zo begint hij zijn verhaal. Het waarschijnlijk uit de 17e of 18e eeuw stammende kruikje zou volgens deskundigen wel een plaatsje in een tentoonstelling of museum waard zijn, maar de heer Van Wijngaarden nam het op in zijn eigen stenenverzameling.

Na het doorlopen van een tweetal technische studies, rondt de jonge Huug van Wijngaarden halverwege de jaren vijftig met lof zijn studie weg- en waterbouwkunde af. Ten tijde van de naoorlogse wederopbouw is het vinden van een baan voor hem geen kunst. Als jonge ingenieur gaat hij in dienst bij Rijkswaterstaat in Arnhem bij de directie Bovenrivieren.

Het is gebruikelijk dat ingenieurs regelmatig worden overgeplaatst. Zo komt hij tien jaar later in Dordrecht terecht. Hier vervolgt hij zijn loopbaan als arrondissementsingenieur in de directie Benedenrivieren. In zijn functie trekt hij er graag met de dienstboot op uit om terreinen te verkennen en inspecties rond de grote rivieren uit te voeren. Naast de vaste bemanning van de kapitein, een matroos en een kok zijn er vaak ook medewerkers en gasten, zoals burgemeesters en wethouders, aan boord.

Op deze verkenningstochten staat ook regelmatig een bezoek aan de baggerwerkzaamheden op het programma. Aan boord van de baggerschepen die de waterwegen bevaarbaar moeten houden, ziet hij vele bodemvondsten naar boven komen. Deze vondsten kunnen als archeologisch materiaal worden gemeld en worden aan boord in een zogenaamde ‘stenenkist’ bewaard. Zijn oog valt op iets dat zich tussen het vers opgebaggerde rivierslib schuil houdt. Het kleine voorwerp wekt zijn interesse.

“Uit de rivierklei van de Beneden-Merwede bij Dordrecht”

Als aandenken aan één van de mooiste perioden uit zijn loopbaan, krijgt het kruikje een prominente plaats in zijn woonkamer. Het heeft nooit onderdeel uitgemaakt van een gerenommeerde collectie, maar vindt alsnog een plek in dit ‘geheugenmuseum’.

"Vanaf het moment dat ik het schoonveeg en tegen het licht houdt om het te bekijken, ben ik eraan verknocht."

Een raadselachtig houtsnijwerk

Het appartement van mevrouw Baggerman herbergt allerlei voorwerpen uit verre landen. Voor haar op tafel staat een raadselachtig houtsnijwerk. Als ze het in haar handen neemt, begint ze er over te vertellen.

‘In 1972 was ik op vakantie in Nieuw-Zeeland toen ik ergens in een etalage een 10 cm hoog potje zag staan van het type dat hierbij is afgebeeld. Ik was er erg door geboeid, al wist ik niet precies waardoor, maar er was geen tijd om ernaar te vragen. Toen ik het echter enkele dagen later nog weer eens ergens anders zo’n potje zag staan, ging ik vragen waar het van gemaakt was. Op mijn vragen zei men dat het gemaakt was van een bepaalde inheemse boomvaren, de zogenoemde Ponga. Op een kaartje dat in het potje zat, stond dat het gemaakt was door de “New Zealand Ponga Craft”. Plantkundig gezien is het een echte varen die zich voortplant door middel van sporen en niet door zaden. Qua uiterlijk lijkt hij echter een beetje op het type palmboom dat altijd langs tropische stranden staat afgebeeld. De Ponga groeit als stam recht omhoog met typisch varenachtige bladeren. Tijdens zijn ontwikkeling vallen de onderste bladeren steeds af, waardoor er een ruwe slanke stam ontstaat. Het afgebeelde potje is een 10 cm lange moot uit die stam. Door de ruwe buitenkant mooi af te schaven wordt het prachtige lijnenspel zichtbaar, zowel op de buitenkant als op de doorgesneden wand. Die lijnen blijken de littekens te zijn van de afgevallen bladeren. De centrale holte was oorspronkelijk gevuld met merg dat goed eetbaar was. Het potje is dus helemaal door de natuur gemaakt en de houtbewerker heeft het alleen voorzien van een bodem en een dekseltje.’

Tegenwoordig zijn alle inheemse planten en dieren streng beschermd en mogen niet geëxporteerd worden. Dat mevrouw Baggerman het potje hier in haar handen houdt, is dus best uniek en een plekje in dit geheugenmuseum meer dan waardig.

‘Mijn liefde voor de natuur is ongetwijfeld gestimuleerd door mijn ouders die ons altijd mee naar buiten namen. Speciaal mijn vader, geboren in Werkendam en min of meer opgegroeid in de Biesbosch, wist ons altijd veel te vertellen over planten en dieren. Dit gebeurde vooral tijdens onze zomervakanties die we jarenlang doorbrachten op een woonboot midden in de Biesbosch. De dagen brachten we door met dingen zoals varen, wandelen, zwemmen, vissen en luieren. En meestal waren er wel planten en dieren, vooral vogels, die bekeken konden worden. Het waren heerlijke vakanties, waarin ook nogal eens spannende dingen gebeurden. Ook mijn oudere zuster en broer werden natuurliefhebbers, maar zij gingen later medicijnen studeren. Dat zou ik aanvankelijk ook doen, maar ik kon niet zo goed tegen “bloed en tranen” en voelde meer voor de biologie.’

“Mijn fascinatie voor dit doosje heeft met mijn liefde voor de natuur te maken.”

‘Ik begon te studeren in 1942, maar daar kwam al snel een einde aan in het voorjaar van 1943, toen studenten alleen verder konden studeren wanneer ze de zogenoemde Loyaliteitsverklaring van de Duitse bezetter tekenden. Daarbij verklaarde je dat je de Duitsers nooit zou tegenwerken. Bijna 90% van de studenten weigerde dat, ikzelf ook, en als straf mochten we niet verder studeren. Bovendien moesten we ons dan melden voor “Arbeitsdienst” in Duitsland. Als je dat niet deed, liep je het risico opgepakt te worden voor dwangarbeid in Duitsland. In mijn geval leidde dat ertoe dat ik meer dan een jaar moest onderduiken. Gelukkig liep dat alles goed af en kon ik zomer 1945 weer aan de studie.’

‘Na mijn promotie in 1956 bleef ik aan de Rijksuniversiteit Groningen verbonden om onderwijs te geven en onderzoek te doen. Mijn onderzoek had als specialisatie de zogenoemde Biologische Ritmen. Zo onderzocht ik zelf de ritmen bij de regulering van het voortplantings- en trekseizoen bij stekelbaars en zalm. Doordat ik veel buitenlandse congressen op dit gebied kon bijwonen, kwam ik als vanzelf in aanraking met heel verschillende klimaten en daardoor dus ook met bijzondere planten en dieren. Ik kreeg speciaal veel interesse in de vogelwereld en besteedde daarom bijna al mijn vakanties aan vogelreizen over heel de wereld en meer in het bijzonder in Afrika. Van al die reizen nam ik veel mooie voorwerpen mee.

Maar van al deze dingen is toch mijn palmvarenpotje mij nog het meest dierbaar. Het staat op een opvallende plaats en als ik er langsloop, kijk ik er vaak nog weer even naar. En dat kunt u op het moment dat u dit leest, ook een keer doen.’

 

"Vooral onderzoek doen vond ik het mooiste wat er was. Ik had een voorliefde voor biologische ritmen."

Een verborgen talent

Boven de bank hangt een portret van een voorname dame. Een fascinerend lijnenspel van hoofdzakelijk blauwe en witte tinten dat met heldere penseelstreken is neergezet. ‘Het is mijn grootmoeder van moederskant’, legt hij uit. Vanuit zijn rolstoel vertelt oud-museumdirecteur P.J. Huizinga bescheiden over zijn artistieke talenten. ‘Ik heb het gemaakt naar een foto van haar. Ze was toen vierentachtig jaar oud. Ik vond dat het precies op haar leek, maar volgens haar eigen zeggen had ik haar veel te jeugdig afgebeeld’.

Met gepaste trots wijst de heer Huizinga naar het zelfgemaakt portret van zijn grootmoeder aan de muur. ‘Ik had een goede band met haar en kwam wekelijks bij haar op bezoek. En we waren praktisch op dezelfde dag jarig. Ook al vond ze het portret niet goed op haar lijken, ik heb het altijd aan de muur gehouden om zo de herinnering aan haar in ere te houden.

Ik mocht als jongeman graag tekenen en schilderen. Dáár hadden mijn ouders geen bezwaar tegen. Wél als ik in de muziek was gegaan. Mijn vader was een uiterst correcte man en van die ‘wilde boel’ moest hij maar niets hebben’. Na de middelbare school overweegt de jonge Huizinga zich aan te melden bij de Academie Minerva om zich volledig te wijden aan de teken- en schilderkunst. Hij ziet daar uiteindelijk vanaf, met het idee over onvoldoende talent te beschikken om hier van te kunnen bestaan. Omdat muziek van huis uit geen geoorloofde studierichting is maar de schone kunsten hem zeer na aan het hart liggen, kiest hij uiteindelijk voor kunstgeschiedenis.

“Mijn vader was een uiterst correcte man en van die ‘wilde boel’ moest hij maar niets hebben.”

Deze studie blijkt hem zo goed te liggen, dat hij de vijfjarige opleiding in vier jaar tijd weet af te ronden. Hier begint dan ook een loopbaan in de kunstwereld, die voor de kunsthistoricus met een passie voor Groningse borgen zal leiden tot een aanstelling als museumdirecteur van de Fraeylemaborg. Een charmant kasteeltje op ruim 23 hectare grond in het dorpje Slochteren. ‘Ik was altijd zeer geïnteresseerd in de Fraeylemaborg en had tijdens mijn middelbare schooltijd hier zelfs een ‘bekroonde’ tekening van gemaakt. Het borggebouw met twee vleugels in hoefijzervorm ontstond al eeuwen geleden en wordt onder de hoede van de heer Huizinga verder in de oude glorie hersteld.

Als museumdirecteur en auteur van diverse kunstcatalogi weet hij menig kunstenaar een podium te geven. Een artistiek podium dat hij zelf nauwelijks heeft durven beklimmen. Het schilderij van grootmoeder, dat herinnert aan de tijd dat hij zelf nog graag met passie schilderde, verdient hiermee alsnog een plek in dit museum.

"Ik vond dat het precies op haar leek, maar volgens haar eigen zeggen had ik haar veel te jeugdig afgebeeld"